Alle berichten van Counters admin

Per 1 mei 2016 vervalt de VAR

De inwerkingtreding van de Wet deregulering arbeidsrelaties (DBA), is uitgesteld tot 1 mei 2016. Dit heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën toegezegd tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer. De vervanger van de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) laat dus langer op zich wachten.

De invoering van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) riep kritische vragen op onder de leden van de Eerste Kamer. Zo vroeg het Kamerlid Sent van de PvdA om een beoordeling van de modelovereenkomsten door civielrechtelijke experts, die binnen een half jaar na de invoering van het alternatief voor de VAR gereed zou moeten zijn. Staatssecretaris Wiebes heeft aan dit verzoek gehoor gegeven, maar hij gaf daarbij wel aan dat het gaat om een zogenoemde ‘no regret option’.  Dit betekent dat de invoering van het alternatief voor de VAR volgens Wiebes in alle gevallen een goede maatregel is.

Nieuwe datums transitieplan

De Eerste Kamer zal dinsdag 2 februari stemmen over de wet DBA en een ingediende motie van D66, waarin wordt gevraagd om het aanhouden van het wetsvoorstel tot het moment waarop alle onduidelijkheden over het alternatief voor de VAR zijn verdwenen. Wat al wel vast staat, is dat de datums uit het transitieplan wijzigen.

  • De voorbereidingsfase zou volgens de gemaakte planning tot 1 april 2016 duren, deze fase is verlengd tot 1 mei 2016. Op deze dag komt de VAR te vervallen en start de implementatiefase.
  • De implementatiefase zou volgens het transitieplan voor de uitfasering van de VAR lopen tot 1 januari 2017, volgens de gewijzigde plannen is dit nu 1 mei 2017. Tijdens deze wenperiode zal de Belastingdienst terughoudend zijn bij de handhaving van de nieuwe regels en organisaties waar nodig ondersteunen bij de invoering van de nieuwe werkwijze.
  • De nieuwe werkwijze met modelovereenkomsten start op 1 mei 2017.

Bron: FiscaalRendement gepubliceerd op 27 januari 2016

Hogere bijtelling auto van de zaak in 2016

Krijgt een werknemer in 2016 een nieuwe auto van de zaak, dan moet uw organisatie rekening houden met een hogere bijtelling. Per 1 januari 2016 zijn namelijk de bijtellingspercentages en CO2-grenzen aangepast.

Uw organisatie moet een bijtelling tot het loon rekenen als de werknemer de auto van de zaak  op jaarbasis voor meer vijfhonderd kilometer privé gebruikt. De hoogte van deze bijtelling is afhankelijk van de CO2-uitstoot. De overheid scherpt regelmatig de bijtellingspercentages en CO2-grenzen aan, zodat er niet teveel auto’s in het lage bijtellingstarief terechtkomen. De aanpassingen voor 2016 waren al opgenomen in het Belastingplan 2015.

Percentage geldt gedurende zestig maanden

In de onderstaande tabel staan de nieuwe percentages voor 2016. De nieuwe percentages voor de bijtelling gelden voor auto’s die in 2016 voor het eerst op naam zijn gesteld. Het percentage geldt dan gedurende een periode van zestig maanden. Deze periode start op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin voor het eerst een kenteken is afgegeven.
Daarnaast is in de onderstaande tabel ook opgenomen hoe de percentages er voor de komende jaren gaan uitzien. Uiteindelijk blijven er nog twee categorieën over: 4% voor elektrische auto’s (tot  € 50.000) en 22% voor alle andere auto’s.

Uitstootgrenzen 2015-2019 volgens Autobrief II

Bron: FiscaalRendement gepubliceerd op 5 januari 2016

 

Eigen woning weer duurder in 2015

Volgend jaar krijgt u te maken met een hoger eigenwoningforfait. Het percentage stijgt namelijk van 0,7% naar 0,75%. Daarnaast moet u rekening houden met een lager maximaal aftrekpercentage, omdat dit met 0,5%-punt daalt van 51,5% naar 51%.

Heeft u een eigen woning, dan kunt u onder andere de rente op uw hypotheek in aftrek brengen op uw inkomen. Daar staat echter wel tegenover dat u het eigenwoningforfait moet toepassen. U rekent dan een percentage van de WOZ-waarde van de woning tot het inkomen in box 1. Het percentage van het eigenwoningforfait is afhankelijk van de waarde van de woning. Zo betaalt u dit jaar 0,70% van de WOZ-waarde als de waarde van de woning meer is dan € 75.000, maar niet meer dan € 1.040.000. De meeste woningen vallen dus in deze categorie. Dit percentage stijgt echter volgend jaar naar 0,75%.

Meer betalen voor de eigen woning

De hoogte van het eigenwoningforfait is afhankelijk van de ontwikkeling van de WOZ-waarde en de huren. De huren zijn het afgelopen jaar flink gestegen om ze meer marktconform te maken. Het gevolg is dat het eigenwoningforfait meestijgt en u dus meer belasting betaalt over de eigen woning. Daarnaast krijgt u te maken met de tariefsaanpassing voor de aftrek van de eigen woning. De aftrek in de vierde schijf (in 2014: bij een inkomen van meer dan € 56.532) wordt jaarlijks verminderd met 0,5%. Uiteindelijk is het de bedoeling dat het maximale aftrekpercentage uitkomt op 38%. Per 2015 bedraagt het tarief voor aftrek van de eigen woning in de vierde schijf 51% (nu is dat nog 51,5%). U gaat komend jaar dus weer meer betalen voor de eigen woning.

Bron: FiscaalRendement gepubliceerd op 11 november 2014

Strengere controle bij teruggaaf BTW

Als M.K.B.-ondernemer krijgt u komend jaar te maken met scherpere controles op uw teruggaafverzoeken van de B.T.W. Staatssecretaris Wiebes heeft dat recent aangegeven. De extra controles zijn het gevolg van meer financiële middelen voor het toezicht en de invordering van belastingen.

Vorig jaar heeft de Belastingdienst extra geld gekregen voor het verbeteren van het toezicht en de invordering van belastingen. Hierdoor stegen de belastingopbrengsten in 2013 met € 250 miljoen. Recent is de staatssecretaris in zijn beantwoording op Kamervragen ingegaan op de controles voor dit jaar. In 2014 gaat de fiscus zich richten op controles die het meeste geld opleveren. De Belastingdienst kijkt daarom kritisch naar de aangiftes inkomstenbelasting en gebruikt daarvoor de gegevens van derden.

Verhoging van het aantal boekenonderzoeken

Daarnaast verhoogt de fiscus het aantal boekenonderzoeken bij ondernemers die niet onder het horizontaal toezicht vallen. Bij een verzoek om teruggaaf van B.T.W. kunt u ook te maken krijgen met strengere controles. De controle richt zich daarbij op de verzoeken om teruggaaf door ondernemingen, de vergelijking tussen de B.T.W.-schuld van de winstaangifte en de werkelijk afgedragen B.T.W. en de behandeling van aangiften met aftrek van B.T.W., maar zonder omzet.

Nieuw pensioenfonds voor zzp’er in de maak

Veel zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bouwen nu geen pensioen op. Stichting ZZP Nederland, FNV Zelfstandigen, PZO-ZZP en Zelfstandigen Bouw hebben daarom afspraken gemaakt om een nieuw pensioenfonds op te richten, ZZP Pensioenfonds. Volgend jaar kunt u als zzp’er kiezen voor dit collectieve pensioenfonds.

Met het nieuwe pensioenfonds kunt u als zzp’er collectief pensioen opbouwen. De collectiviteit moet zorgen voor het spreiden van risico’s en een hoger rendement. Over de inleg in het pensioenfonds betaalt u geen belasting. U behoudt daarnaast wel uw vrijheid, want de regeling is vrijwillig en u kunt zelf bepalen hoeveel u inlegt. Bij het pensioenfonds heeft u een individuele pensioenrekening. Hierdoor maakt u alleen aanspraak op uw eigen inleg en het rendement.

Als zzp’er blijft u flexibel

Bij uw overlijden gaat het geld naar uw erfgenamen. Daarnaast kunt u bij langdurige ziekte de pensioenrekening gebruiken voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het grote voordeel van het ZZP Pensioenfonds is dat u als zzp’er flexibel bent. U kunt uw inleg namelijk laten afhangen van de omzet en daardoor ook perioden overslaan. Daarnaast kunt u zelf bepalen wanneer u met pensioen gaat ­– moet wel tussen de zestig en zeventig jaar zijn – en hoelang de uitkering dan gaat duren (tien, vijftien of twintig jaar). Het is de verwachting dat tien- tot vijfentwintigduizend zzp’ers gebruik gaan maken van dit nieuwe pensioenfonds.

Verondersteld rendement van 4% is onredelijk

De Belastingdienst gaat er vanuit dat u een rendement behaalt van 4% op uw bezittingen in box 3 (onder andere spaargeld, aandelen en tweede woning). Tegenwoordig is het behalen van dit rendement echter bijna onmogelijk. Grant Thornton en de Bond van Belastingbetalers willen dit nu aankaarten bij de rechter met een proefprocedure.

Bij het bepalen van de belasting in box 3 gaat de Belastingdienst uit van de waarde van uw bezittingen per 1 januari van het jaar. Over die waarde stelt de fiscus dat u een rendement  moet kunnen behalen van 4%. De uiteindelijke belastingheffing is dan 30% over dat veronderstelde rendement. Grant Thornton en de Bond zijn het echter niet eens met de hoogte van dat rendement. De rentes bij de banken zijn op dit moment zo laag, dat het in veel gevallen niet lukt om dat rendement van 4% te halen.

Meebewegen met werkelijke rente

Volgens het belastingadvieskantoor en de Bond kan zo’n heffing Europeesrechtelijk niet door de beugel. Het fictief rendement zou meer moeten meebewegen met de werkelijke ontwikkeling van de rente. Het zou beter zijn als de Belastingdienst voor het fictief rendement aansluit bij het vijfjarig gemiddelde rendement van een aantal banken. Het belastingkantoor start daarom een proefprocedure om het veronderstelde rendement van 4% door de rechter te laten beoordelen. Op de uitkomst moeten we mogelijk nog wel even wachten, want de gehele procedure kan met alle mogelijkheden van hoger beroep en cassatie zo’n zeven jaar gaan duren.

Meer gegevens in vooraf ingevulde aangifte

De Belastingdienst probeert het u gemakkelijker te maken door de aangifte inkomstenbelasting steeds meer vooraf in te vullen. In de aangifte inkomstenbelasting 2013 heeft de fiscus weer meer gegevens ingevuld. U vindt nu ook de aftrekbare premies arbeidsongeschiktheidsverzekeringen terug op de vooraf ingevulde aangifte.

De aangifte inkomstenbelasting 2013 moet u in principe voor 1 april 2014 indienen. Tegenwoordig hoeft u echter niet alles zelf meer in te vullen, maar helpt de Belastingdienst een handje. De fiscus vult in ieder geval de volgende gegevens alvast voor u in:

  • loon, uitkeringen en pensioenen;
  • de meeste heffingskortingen;
  • hypotheekgegevens en WOZ-waarde van de eigen woning;
  • banksaldi- en spaartegoeden;
  • waarde effectenportefeuilles;
  • leningen en andere schulden;
  • gegevens van de overige onroerende zaken in Nederland;
  • buitenlandse rekeningen;
  • buitenlandse pensioenen;
  • ingehouden dividendbelasting;
  • premies AOV (Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen);
  • lijfrentepremies;
  • de naam van degene van wie u een persoonsgebonden budget ontvangt.

Een volledig overzicht vindt u op de website van de Belastingdienst.

Gelijk een definitieve aanslag opleggen

Deze vooraf ingevulde aangifte is sinds 1 maart beschikbaar. U moet de aangifte nog wel goed controleren. Bij eventuele fouten of onvolledigheden moet u de gegevens wijzigen en aanvullen.
De fiscus probeert de ontvangen aangifte zo snel mogelijk af te handelen en een definitieve aanslag op te leggen. In de meeste gevallen ontvangt u dus niet eerst een voorlopige aanslag. De fiscus wil u namelijk zo snel mogelijk duidelijkheid geven over uw fiscale positie. Ontvangt de Belastingdienst uw aangifte vóór 1 april , dan heeft u waarschijnlijk vóór 1 juli de definitieve aanslag in huis.

Gebruikelijk loon stijgt naar € 44.000 in 2014

Heeft u een aanmerkelijk belang in een B.V. en werkt u ook voor die B.V., dan moet u rekening houden met het gebruikelijk loon. Het gebruikelijk loon volgend jaar stijgt naar € 44.000.

De gebruikelijkloonregeling houdt in dat een aanmerkelijkbelanghouder een loon moet krijgen dat gebruikelijk is voor het niveau en de duur van het werk. Dit jaar bedraagt dit loon minimaal € 43.000. Volgend jaar stijgt dat minimale bedrag dus met € 1.000 naar € 44.000. Het is onder voorwaarden mogelijk om van dat gebruikelijke loon af te wijken.

Hoger of lager gebruikelijk loon

Wilt u een lager loon toepassen, dan moet u aannemelijk maken dat dit gebruikelijk is bij soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt. Lukt dat niet, dan moet u toch uitgaan van het minimale bedrag van € 44.000 (in 2014).
Blijkt nu dat juist een hoger loon gebruikelijk is bij soortgelijke dienstbetrekkingen, dan is het gebruikelijk loon het hoogst van de volgende bedragen: 70% van het hogere gebruikelijke loon of het loon van uw meestverdienende werknemer of die van een aan u verbonden vennootschap. Dit loon moet in 2014 dan wel minstens € 44.000 bedragen.

Ontslag moet voor stamrecht-bv vóór 1 juli 2014

Vanaf 1 januari 2014 moet een werknemer direct afrekenen als hij een ontslagvergoeding ontvangt. De stamrechtvrijstelling blijft nog wel gelden voor werknemers die uiterlijk 31 december te horen hebben gekregen dat ze moeten vertrekken, maar waarvan de werkelijke ontslagdatum vóór 1 juli 2014 ligt.

Krijgt een werknemer op dit moment een ontslagvergoeding, dan kan hij deze fiscaal voordelig onderbrengen bij een stamrecht-bv, een bank, een beleggingsinstelling of een verzekeraar. Per 1 januari 2014 is dat niet meer mogelijk, want dan verdwijnt de stamrechtvrijstelling. Het gevolg is dat een werknemer direct moet afrekenen over een ontvangen ontslagvergoeding. Bestaande gevallen kunnen nog blijven profiteren van de stamrechtvrijstelling, maar kunnen in 2014 ook kiezen voor de overgangsregeling. Nemen werknemers het stamrecht in 2014 in één keer op, dan hoeven ze slechts 80% van de uitkering in de belastingheffing te betrekken.

Voldoende tijd voor oprichten stamrecht-bv

De Tweede Kamer en vakbond CNV waren echter bang dat het vervallen van de stamrechtvrijstelling grote gevolgen zou hebben voor reorganisaties waarbij de uiteindelijke ontslagdatum nog niet bekend is. Staatssecretaris Weekers heeft laten weten dat hij werknemers dan ook voldoende tijd wil geven om een stamrecht-bv op te richten. Werknemers kunnen daarom van de stamrechtvrijstelling gebruikmaken als ze het ontslag uiterlijk 31 december krijgen toegezegd en het werkelijke ontslag vóór 1 juli 2014 ligt. Deze situaties kunnen dan niet profiteren van de overgangsregeling in 2014.

Nieuws express

Nieuws express